Polen

Polen / Slowakije, 22 tot 31 juli 1995
"Op zoek naar de vunzige bunzing"
(Tekst: Ger Willink)

22 Juli. Berlijn

Al rijdt de trein nog zo snel, de regen achterhaalt ons wel….In Den Bosch regende het niet alleen tranen bij José, Ellen en Mimi, ook de hemel had nog een rekening te vereffenen. Een andere wijsheid: al rijdt de trein nog zo snel , ook de nationale hypotheekgarantie achterhaalt ons wel. Geen discussie over korte, dan wel lange broeken (of waren het lange dan wel korte broeken?), nee, een uur lang – zo ongeveer tussen Rosmalen en Dieren-Zuid – ging de discussie over de voor- en nadelen van de nationale hypotheekgarantie, de hypotheek op Mark zijn auto en over de ontbindende voorwaarde bij de hypotheek van een collega van Tom, die een te duur appartement in Utrecht had gekocht en daarover ruzie had gekregen met zijn ouders, die overigens ook al in staat van ontbinding verkeerden. Vaag verhaal, maar wel erg interessant.

De bende van drie onderweg naar Polen, weggerukt – voor eventjes dan – uit het wrede burgermansbestaan. Maar tevreden konden wij alle drie vaststellen dat de regenbui onze tuintjes, dan wel balkonplantjes, goed zou doen. In Deventer hadden we drie kwartier over, door Tom en Mark besteed met het verkennen van het Deventer-avondleven, (vergeefs) op zoek naar een “vette bek”. En door Ger benut om op het Deventer-perron te genieten van de muziek van een gitaar-wierdo (ieder het zijne). Om 23.50 uur de nachttrein naar Berlijn. Zonder vette bek, maar met (volgens Mark) “bocht-whisky” – waarbij het vocht nou niet bepaald op je tong smolt, maar eerder die tong wat onaangename momenten bezorgde – koers gezet richting het oosten. Behalve een nachtelijke ruzie op een perron, waarbij Honnecker blijkbaar een belangrijke rol speelde – mogelijk werd iemand uit de trein gehaald – verliep de nacht uiterst rustig. Tom praatte in zijn slaap nog wat door over pensioenen, maar was daarna ook rustig. Om zes uur ’s ochtends werden we wreed gewekt door Pools of Russisch dronkemansgebral en de mededeling van de conducteur dat Berlijn “langsam aber sicher” dichterbij kwam. En jawel, punktlich 7.30 Uhr war Berlin Zoölogischer Garten da. Aussteigen bitte.

De meest gevleugelde uitspraak van de dag (Mark): “Het lachen zal hen vergaan, zo gauw zij met hun 20 kilo voor de pas komen te staan.”

24 Juli. Poolse Tatra (1950 meter)

Na eine Kanne Kafé reisden we, om ons idee van een budgetreis nog wat kracht bij te zetten, zonder te betalen, met de S-bahn naar Hauptbahnhof, Berlin-Ost. Aansluitend de trein naar Krakow genomen, een reis die stond en viel met de hazenslaapjes van Tom en daarnaast aaneenhing van de steeds terugkerende mededelingen van onze “Zugführer”. Met Pools-Duitse tongval klonk het: Frankfurt a./d. Oder 9 Uhr 48, Rzepin 10 Uhr 22, Zielna Gora 11 Uhr 22, Wroclaw 13 Uhr 23, Opole 14 Uhr 20, Gliwice 15 Uhr 20, Katowice 15 uur 52 en tenslotte Krakow 17 Uhr 10. Alle stations werden inderdaad punktlich aangedaan, behalve de eindbestemming dan. Krakow 17 Uhr 35. Volgens Tom leende het mooie Poolse landschap zich uitstekend voor een fietsvakantie, maar die mening veranderde al snel toen we vanaf Wroclaw het mooie vlakke landschap zagen veranderen in een industrielandschap.

Bruinkoollucht werd al aangezien voor een wind van mij, maar dat was toch echt niet het geval, de vunzige bunzing werd er ook nog bijgesleept, maar die zou pas later opduiken. In Krakow lukte het na enige tijd om onze kostbare Marken om te wisselen in Poolse Zwottels, waarmee we Polen meteen besloten om te dopen in Zwotlanië. Ook leuk! Om 19.00 uur – alsof we al niet lang genoeg hadden gereisd – de bus genomen naar Zakopane. Onder het genot van wat overheerlijke Roma-broodjes kregen we gedurende de 100 km naar het zuiden volop de gelegenheid om te genieten van een Poolse schone en de Zakopiaanse bouwstijl. Om 21.15 uur stapten we met de Poolse schone in Zakopane uit. Het kostte vervolgens wat moeite om een camping te vinden, maar nadat we een halve liter bier genuttigd hadden ging alles aanmerkelijk gemakkelijker. Met name toen we gehoord hadden dat het nog maar een halve kilometer was. Dat dat bij nader inzien twee en een halve kilometer bleek, deed niet ter zake. Om 23.00 uur vonden we onze eindbestemming voor deze nacht. 30 Uur non stop reizen zat er op.

’s Morgens wachtte ons een onaangename verrassing, we bleken in een Nederlandse enclave te zijn beland. Voor ons, naast ons, zelfs in onze tent: alleen maar Nederlanders. Altijd leuk om de laatste wetenswaardigheden uit te wisselen! Maar dan ging het echte lopen dan toch beginnen. Ik had mijn “lange” broek ook aangedaan, iets wat een kleine twee uur later werd afgestraft door niet bepaald aangenaam weer. In de trein had ik als enige mijn “korte” broek aangehad en ook dat werd afgestraft, maar toen nog door “zweten als een zogenaamde vunzige bunzing”.

Het was zondag en dus voor heel veel Polen en andere toeristen (wij waren zoals gewoonlijk geen toeristen, maar reizigers) reden om een ommetje te gaan maken vanuit Zakopane. Hordes liepen net als wij richting de kabelbaan, met dat verschil dat wij met bepakking de kabelbaan voorbij liepen en dat anderen zonder bepakking zich met die kabelbaan naar boven lieten slepen. Het pad ging al snel steil omhoog en verbaasde Polen zagen toe hoe wij onze bagage naar boven zeulden. De temperatuur werd daarbij wel langzaam dragelijker. We kwamen in de mist terecht en die zou ons de hele verdere dag niet meet verlaten. Mark werd met het stijgen der meters en het toenemen van de mistdichtheid, chagrijniger. Spontaan werden we onderweg diverse malen gegroet op iets dat op “just” leek, maar dat naar later bleek als “czesc” diende te worden uitgesproken, het Poolse “namaste” dus.

Na enige uren lopen en een discussie of we nu wel of niet naar een camping zouden gaan (Mark wilde wel naar die camping, Tom en ik niet), kwamen we bij een rustig meer. Dit ontlokte aan Tom de nu al legendarische uitspraak “waar een meer is, is water”. We besloten, na een “gezellige theepauze”, de ‘Zawrat’ van 2160 meter over te gaan, een pas ook al in mist gehuld. Dat deed het humeur van Mark goed. Mark mag graag klimmen. Marsen en nutsen hielden ons ondertussen op de been, want het was intussen toch al laat. Via kettingen en handvaten langsam aber sicher naar de top, dit ondanks de woorden van een Duitser dat het te laat was om er aan te beginnen (“wo gehen Sie hin, es gibt’s nichts da”).

Mark en/of Tom “pleegden” vervolgens een aanslag op mij, want tijdens de klim schoot er ergens een steen los en die scheerde over mijn hoofd. Ik schrok behoorlijk en schold hen de huid vol. Of het hun schuld was, maakte even niet uit. Met veel moeite werd “pashoogte” bereikt. Helaas geen uitzicht, maar wel marsen en nutsen. De weg naar beneden was een stuk gemakkelijker, het aantal tegenliggers schaarser. Om 19.30 uur besloten we kampenement te maken. Het chagrijn van Mark duurde voort, whisky hielp daartegen niet. Het grote zoogdierenboek werd opengeslagen en gespannen zocht ik naar de kans dat we de vunzige bunzing zouden tegenkomen. Die kans was toch redelijk groot volgens Tom en Mark, maar vooralsnog was het niet zo ver.

’s Avonds een heerlijk spaghetti-maal, waarna het chagrijn van Mark optrok, zo niet de mist. Dat gebeurde later. Om 20.30 uur hadden we wat zicht op de ons omringende bergen. Opgetogen trok Mark zijn camera en schoot zowaar drie foto’s. ’s Nachts stootte Mark mij wakker. Een dier zat aan onze niet afgewassen pannetjes te likken. De vunzige bunzing? Of een hongerige Tom? De waarheid zal waarschijnlijk nooit aan het licht komen, Tom ontkende die ochtend in alle toonaarden van iets te weten en de vunzige bunzing was in geen velden of wegen te bekennen. Wel die ochtend “Sonne”. En een schitterend vergezicht. Dat duurde welgeteld een half uur. Vijf foto’s later was er al weer nieuwe mist. Het kampenement werd opgebroken, toen we geklots hoorden in een onder ons gelegen meer. De ..….? De waarheid bleef in de mist gehuld. Op naar ons volgende doel: Hruby Stit (2174 meter).

24 Juli. In the mist again…(16.00 uur)

Ik besloot tot grote hilariteit van de twee metgezellen mijn groothoeklens vandaag een kans te geven op mijn camera. Iets wat mij meteen de illustere bijnaam Gerrie Groothoek opleverde. Daarnaast leverde de groothoek ook nog diverse mooie plaatjes op, echter niet van de vunzige bunzing. Na de mist kleurde de zon het decor.

Om de Hruby Stit te bereiken moesten we een pas bedwingen, wat aan Tom de uitspraak ontlokte: ,, twee passen op een dag is te veel”. Mark zijn humeur was vandaag meer dan uitstekend. Iets wat zich uitte in de ongeveer 30 foto’s die hij schoot en het feit dat hij ook nog wel een pas naar Slowakije wilde nemen. Helaas voor hem wilden Tom en ik naar een camping. De pas bood prachtige vergezichten.
Een Pool zette Mark op de foto en ons op de top even later alle drie. Komen we wellicht in een of andere Poolse reisgids te staan??! Op de top een grandioos uitzicht op zowel Polen als Slowakije. De top zelf lag precies op de grens. Geen enkel probleem om van hieraf Slowakije illegaal binnen te lopen. Ook op de top laaide de discussie over het aantal benodigde gastankjes weer op. Volgens Tom zijn de meegenomen zeven tankjes meer dan genoeg. Volgens Mark en mij is het aantal van zeven krap aan. Daarom ook wordt er extra veel thee, koffie en soep gezet om toch maar snel door de voorraad heen te komen en ons gelijk te halen, maar of dat lukt?

Overigens zojuist onderweg van de top “nach hinunter” een andere niet onbelangrijke discussie tussen Mark en Tom over de hoeveelheid te gebruiken theezakjes bij een liter gekookt water. Waar je op grote hoogte al niet discussies over kunt krijgen….Twee zakjes per liter water dus. Had Tom alweer gelijk! Dat was minder. Met deze tekst is Mark het overigens niet eens en wil dit gewijzigd zien in “voor deze keer gelijk”….. nou, vooruit!

25 Juli. Slowakije, 1470 meter (basecamp)

Gezeten aan de voet van Ladovichi Stit tegen het vallen van de duisternis nog snel wat woorden aan dit papier toevertrouwd. Voor morgen staat de Koninginne-etappe op het programma, dus dat betekent vroeg naar bed, want in tegenstelling tot eerdere uitspraken gaan we des morgens drie passen pogen te bedwingen in plaats van twee. Niet dat er veel keus is trouwens met dat vroeg of laat naar bed gaan.
Om uiterlijk 21.30 uur is het donker en dan is er mede gezien de temperatuur weinig anders te doen dan naar “bed” te gaan. Zo ook gisteravond. Na onze discussie over het aantal te gebruiken theezakjes dachten we richting camping te lopen, althans een camping die stond aangegeven op de kaart. Al wat we uiteindelijk vonden was een luxueus hotel, annex restaurant met daarnaast een kleine “berghütte”. Een diner lieten we daar niet aan ons voorbij gaan. Zeker niet voor de prijs van 450.000 Zwottels (f 30,-) voor soep, een hoofdmaaltijd, bier en koffie toe. We konden nog net de verleiding weerstaan om twee keer te bestellen! Wat vervolgens te doen? Blijven in een overvolle berghütte of op zoek naar de camping? We kozen voor de laatste optie en dat werd dus uiteindelijk, na een wandeling door nog meer mist en in de regen, een overnachting tussen de bomen.

Eindelijk kon Mark zijn zonnebril afzetten (draagt hij ook in mist en de regen; omdat zijn sponsor (?) dat wil). Naast de tenten vond ik later de resten van een skelet, die mogelijk hebben toebehoord aan de vunzige bunzing of wellicht een ander zoogdier. Het was inmiddels te donker om dat nog te gaan opzoeken in het grote zoogdierenboek. Om 22.00 uur konden Mark en ik gaan filosoferen over onze avonturen in Schotland, maar Tom hoort alles, zelfs als Mark ’s-morgens boos zijn stem verheft als ik niet alert genoeg reageer op de zon die scheen. Want dat was deze morgen het geval. “Viel Sonne” op onze (met name Tom’s) verbrande ledematen.

We verlieten onze Poolse vrienden en betraden Slowakije, waarbij Mark nog bijna ruzie kreeg met en Slowaakse grenswacht, toen hij het woord Tsjechoslowakije in de mond durfde te nemen. Voor de rest van de dag hadden we een redelijk vlak parkoers, met wat vals plat naar de finish toe. In Tatranska Javorina sloegen we vers voedsel in, met daarbij broden van het formaat om een moord kunt plegen. Eigenlijk was het weer voor mijn singlet (iets waaraan Tom en Mark – naast mijn imitatie-geitenwollensokken - iedere dag de grootste lol beleven), maar mijn verbrande schouders stonden dat niet toe.

Heet bleef het tot laat in de middag. Ik zat er al aardig doorheen toen Mark bij toeval (toeval bestaat niet) de ideale overnachtingsplaats ontdekte. Het is ook in Slowakije verboden om in het Nationaal Park “Hoge Tatra” vrij te camperen, dus was het ook nu zaak om dit op een verborgen plek te doen. Dit keer was dat een klein open veldje zo'n 30 meter van het pad de helling op. Aldaar heten muggen en andsersoortig ongedierte ons van harte welkom. Met name Mark werd lek gestoken en nadat hij zich had ingesmeerd met jungle-oil, was het de beurt aan Tom en mij. Om aan de insectenterreur te ontsnappen en ook om Tom zich op zijn gemak te laten wijden aan het zich scheren met warm water besloten Mark en ik nog tot een kleine bergwandeling. Een klein bergpad voerde ons naar zo’n 1850 meter, een prachtig vergezicht en een bergmeertje. Ook hier geen spoor van de vunzige bunzing, maar wel genieten van stilte. Op de terugweg gingen we nog diverse keren onderuit, maar haalden het uiteindelijk zonder enkel- of beenbreuken tot onze rustieke Alpen- annex Tatra-weide. Daar bleek Tom een voorbeeldig groepslid. Niet alleen had hij zich schoongeschrobd en zijn gezicht van baardstoppels ontdaan, hij had ook twee tenten opgezet en was vol toewijding begonnen aan het prepareren van een heerlijk spaghetti-maal.

Het slapen was die nacht wat minder comfortabel. Allerlei struikgewas sprong onder het tentzeil omhoog en daarnaast zaten zowel Mark als ik met onze voeten in elkaars neus te wroeten. En aangezien we ons al een tijdje niet gewassen hadden….. Hoezo op zoek naar de vunzige bunzing, die is soms dichterbij dan je denkt!

26 Juli.
Zbojnicka Chata (1960 meter)

Voor de verandering permitteren we ons de luxe van een “Chata”, een zogenaamde schuilhut. Maar of dat zo luxe is, is nog maar de vraag. Zojuist hebben we gehoord dat er van ons verwacht wordt dat we om 6.30 uur op moeten staan. Zowaar een zware opgave. Maar we zijn nu al plannen aan het beraden om later op te staan. Vanmorgen sliepen we in onze idyllische weide nog uit tot 8.00 uur. Het betere werk!

Om 8.15 uur klonk er aan de andere kant van de weide een angstaanjagend gekreun. Eerst dachten Mark en ik aan een of ander Tatriaans monster, naar later bleek was het Tom die op dat moment ontwaakte. Bij een idyllische weide hoort een zonnig ontbijt, begeleid door het gezoem van veel insecten en het gefluit van de Slowaakse groene buitenfluiter en een verdwaalde Poolse schuwe notenkraker. De afwas werd in de beek gedaan, waarna we op weg gingen: 900 meter stijgen naar de Sedielko, een pas op een hoogte van 2370 meter. De klim begon rustig, maar eindigde moordend.
Naar de top toe steeg de spanning. Wie zou als eerste boven komen? Mark demarreerde vanuit het vertrek (een plek waar we wat Slowaaks moordbrood veroberden), maar werd teruggehaald. Daarna demarreerde ik met Mark achter mij aan. Samen liepen we verkeerd, zodat Tom uiteindelijk als eerste de top haalde. Overbodig te zeggen dat het uitzicht adembenemend was.

De afdaling verliep wat minder voortvarend. Steenskiënd gingen we voort, onderwijl om de beurt onderuit glijdend. Angstvallig keek Jän Smörrebröd, een wazig figuur die ons in de afdaling voorafging, iedere keer achterom als er weer een lading stenen op hem toerolde. De volgende beklimming volgde snel en ging met behulp van kettingen naar Priecne Sedlo. Daar was Tom niet zo blij mee, maar met behulp van een shot druivensuiker bereikte ook hij de 2352 meter. Mark klom zeer voortvarend, ongetwijfeld een gevolg van bloeddoping, want anders kon zijn “bloedvorm” bij deze beklimming niet worden verklaard, een ware berggeit.

Over zoogdieren gesproken. Tijdens de afdaling van de Priecne Sedlo kregen we zowaar een gems te zien. Toch die zoogdierengids niet helemaal voor niets meegenomen, al klopte de informatie over de gems in het geheel niet. Overigens hangt er in onze gezellige “Hütte” de vacht van nog een zoogdier. Mogelijk dan toch de vunzige bunzing?

Over nog meer zoogdieren gesproken: er loopt hier nog een zeer zeldzaam zoogdier rond; de eenzame, maar vrolijke (manlustige) Duitse. Een blonde deerne uit “die Heimat”. Eerder hadden we haar al ontmoet in Polen toen we aan het uitrusten waren van een beklimming. Ze kwam toen naast ons staan en keek ons in de ogen. Wanhopig was haar blik en ze probeerde haar rugzak naast die van ons te planten, om vervolgens te informeren naar ons reisdoel of zoiets. Het was haar overduidelijk te doen om ons charmante gezelschap. Ons was het daarentegen vooral te doen om haar weer zo snel mogelijk kwijt te raken. We weerstonden haar wellustige blikken en uiteindelijk verdween ze teleurgesteld in de mist. Nu zit ze hier dus in het gezelschap van enkele Duitse mannelijke soortgenoten. Gedrieën eten zij, masseren zij elkaar en filosoferen waartoe zij op aard zijn. Of gaat het wellicht over de rol van de vunzige bunzing in de evolutie?

27 Juli. Langs de grensrivier (een uur lopen van Lysa Polana, op 1170 meter hoogte)

De woorden van de vorige dagboekpassage waren nog niet voltooid of onze hut werd bestormd door zo’n 15 tot 20 toeristen die blijkbaar allemaal een slaapplaats hadden gereserveerd. Wat voor ons resteerde was een plaats in de ruimte, waar we zojuist onze “klabassa” (een Slowaakse worst) naar binnen hadden gewerkt. Daar pasten we voor en we snelden om een uur of negen met onze bepakking naar buiten. Weg van de drukte en onze Duitse vriendin verbijsterd achterlatend. Nog toen we onze spullen bij elkaar aan het rapen waren, was de restaurantleiding de matrassen in de eetruimte aan het formeren op een wijze die in de richting van groepsseks deed denken. Wij zetten in het schemerdonker onze tent op en plaatsten onze slaapmatjes op een wijze die eveneens in de richting van groepsseks deed denken, maar niets was minder waar. Mark en ik lagen in “no time” broederlijk (of zwagerlijk) naast elkaar te ronken, naast Tom die de slaap op zijn beurt niet kon vatten en dacht aan braadworst (die lag hem zwaar op de maag) of groepsseks.

’s Morgens dus in plaats van 6.30 uur om 8.30 uur op, dat beviel beter. Terwijl iedereen uit de hut al op weg toog keken wij met onze slaapogen het weidse landschap in. Onze dagtaak begon pas om 10.15 uur. De eerste (en laatste) beklimming van de dag was de Prielom (2230 meter). Een steile, maar niet onoverkomelijke klim. Dat veranderde echter rigoureus toen we de top naderden. Ik liep voorop toen Mark vroeg of ik niet een foto wilde maken van hem in een (uiteraard) macho-pose. Eerst weigerde ik nog, maar besloot toen toch mijn rugzak neer te zetten en Mark, tegen een bergwand aangeplakt, te vereeuwigen. Ik liep een stuk van de helling naar beneden en richtte mijn (groothoek)lens. Toen gebeurde het desastreuse. Mijn rugzak, die blijkbaar niet al te stabiel stond, zette zich spontaan in beweging. Aangezien hij openstond verloor de zak diverse spullen, die gezellig mee naar beneden rolden. Het hele gezelschap vloog op Mark af. Mijn K-K-K-K-U-U-U-U-U-T-T-T-T klonk galmend door de vallei. Mark bukte zich en dat was zijn redding. De rugzak schampte zijn handen en eigen rugzak en vervolgde zijn weg richting dal. Pannetjes en andere attributen gingen de zak vooraf. Uiteindelijk bleef de zak zo’n 20 meter onder Mark liggen, geremd door een uitstekende rotsblok. De pannetjes rolden nog voort en het was dat Tom zo’n 40 meter onder ons klom, anders hadden we onze rijst vanavond ongekookt kunnen eten. Tom ving de pannen vakkundig op, waarna de andere op sensatie en bloed beluste lopers op de helling hun blikken weer op oneindig konden richten.

Ik kon beginnen met het opnemen van de schade en het bij elkaar rapen van de spullen. De schade viel mee, gebutste pannen waren eigenlijk de enige blijvende herinnering aan een spontane duikeling. Mark kreeg alsnog zijn foto en verder ging het richting top. Na een top of pas, is er meestal een afdaling, zo ook nu. Slechts soep en thee onderbrak het monotone daalritme, maar de uitzichten maakten andermaal veel goed. Ik hield mijn rugzak goed vast, zeker als ik hem afdeed om een foto te maken. Onderweg maakten we, net als gisteren al, kennis met de nieuwste Slowaakse klimmode: in zwembroek of bikini. Het is nu nog wachten op de eerste topless klimmende vrouw.

Tom en ik gingen niet zo snel als Mark, die duidelijk in vorm is, maar zagen wel de tweede gems en Mark niet. Weliswaar nog steeds geen vunzige bunzing, waar we toch op blijven hopen. Na nog meer dalen zitten we nu vlakbij de Slowaaks-Poolse grens in een bos bij een rivier, Mark en Tom aan de tenten bouwend, ik verhalend over zoogdieren, die maar niet willen opduiken. Al zouden we niet vreemd opkijken (of toch wel) als er plotseling een bruine beer uit het bos zou komen rennen. Voor de statistieken; er is nog maar één gastankje opgegaan. Zie je nou wel Tom, we hadden het nog zo gezegd.

28 Juli. Zakopane

Vandaag heeft Tom volop kunnen genieten van zijn grootste hobby, door het bos lopen. Dat Mark daar niet zo blij mee zou zijn wisten we al langer, maar hij moest er vandaag toch aan geloven, al viel de lijdensweg achteraf gezien mee. Dat erkende hij zelf al, iets dat op zich al veel wil zeggen. Het ontbijtje was naar omstandigheden deze morgen uitstekend te noemen. Hompen Slowaaks intussen vrij hard brood, met ook al Slowaakse surogaat-koffie, jam, siroop, bijen en andersoortige insecten. Maar de locatie –aan een wild riviertje- maakte veel goed.

Gisteravond dacht ik vlak voor het slapengaan dan toch de bruine beer te horen. Ik pakte de zaklantaarn en scheen in het rond. Niets. Bij nader inzien bleek het Tom die zich in zijn slaapzak had omgedraaid. Hoe dichter we bij de grensovergang met Polen kwamen, hoe groter het aantal zwembroek en bikinilopers, dus wellicht toch een Poolse gewoonte? Gegroet werd er niet of nauwelijks meer door de Slowaken. Hadden ze ook nog niet gedaan trouwens. Hoe anders is dat in Polen, waar je tot vervelends toe wordt vergast op “czest”.

Daar ook kregen we vandaag tot twee keer toe vrouwelijk gezelschap. Op een berg(je) van tweede categorie (genaamd Gora Gèsia Szyja, 1489 meter) kwam een meisje ons waarschuwen dat de beklimming wel erg zwaar zou kunnen worden naar mate we hoger zouden komen. Zij nam haar kaart zelfs mee – alsof we die niet zelf hadden – en kwam lekker tegen mijn zwetende lijf zitten. De romance duurde niet lang, welgeteld één minuut, toen keerde zij naar haar moeder terug. Later liep een Poolse met Tom en Mark mee en knoopte een gesprek aan. Dit vlotte zo goed, dat ze niet meer van onze zijde week. Ik maakte nog een grap (nummer 17a) over xtc, maar ook deze bracht haar niet uit haar doen. Mark was door haar aanwezigheid wel van zijn apropos gebracht, hij sloeg een verkeerde weg in, daar waar wij nagenoeg blindelings op hem vertrouwden (dat moest ook wel, want hij stond zijn kaart niet af).

Uiteindelijk belandden we via een omweg en een wrak Pools busje op de camping. Dezelfde als voor ons vertrek. We staan nu nagenoeg op dezelfde plek, tegenover meurende wc’s. Wat de wierdo’s betreft: Mark en ik schaarden ons de afgelopen dagen in het rijtje van de gescheurde-broeken-wierdo’s. En wat te denken van de rode-benen-wierdo, de blote-voeten-wierdo, andermaal een gitaar-wierdo (gitaarspelend de mietjespas op)….en…… de disco-wierdo’s.

29 Juli. Camping Zakopane

Na een overheerlijk maal (aardappelpuree, sperziebonen en wat andere ondefinieerbare ingrediënten) besloten we onze Slowaakse koffiemeuk in te ruilen voor Poolse kwaliteitskoffie. Van het een kwam het ander en uiteindelijk belanden we in een vage Poolse disco (of was het een dancing?). Daar ontdekten we dat je met bergschoenen ook best goed kunt dansen (waarschijnlijk danst binnenkort heel Polen op bergschoenen) en viel het Tom op dat als Mark op de dansvloer kwam de menigte uiteen week en Mark vrij baan kreeg. Hij loopt dan ook nog steeds rond in hetzelfde T-shirt, dezelfde (korte) lange broek, ondergoed en sokken rond als waarmee hij in Den Bosch in de trein rolde. Niet alleen in de bergen, ook in de disco kan het misten. Maar gelukkig is Tom onder alle omstandigheden tevreden; “hij vermaakt zich toch wel”.

Terug op de camping scheen ik nogal luidruchtig mijn relaas te hebben gedaan over vier meisjes die ook in de disco waren en vlak na ons terugkeerden naar de camping. Dat vertelde ik Mark toen we al in de slaapzak lagen dermate hard, dat niet alleen Tom alles kon verstaan, maar ook onze Poolse buren. Zij namen vanmorgen wraak door om 6.30 uur de radio hard aan te zetten en Poolse rock over de camping te laten schallen. Wij hadden toen net vier uur geslapen! Toegegeven, het is een beetje grote overgang van een ruisend bergbeekje naar Poolse rock, maar het heeft ook wel weer wat!

31 Juli. In de trein naar huis

Langsam aber sicher geht es wieder heim. Zojuist hebben we Berlijn verlaten en tussen twee hazenslaapjes door moet ik van mijn reisgenoten mijn dagboek afronden. Onder dwang, want op dit moment zijn ze niet bepaald op mijn hand. Ik heb ze zojuist in Berlijn overbodige kilometers laten lopen om bij de Brandenburger Tor en de Siegessäule te komen. Mijn reisleidersinstinct liet me enigszins in de steek!

Terug naar twee dagen geleden, een relaxte overgangsdag, met een terrasje in Zakopane en vrij zicht op nog meer wierdo’s, een busreis naar Krakow en uiteindelijk afgesloten met het zoeken naar een hotel, dan wel een camping. Dat laatste bleek een groter probleem dan aanvankelijk gedacht. Hotels waren of te duur of vol en de camping lag te ver uit het centrum. Totdat na een klein aantal extra kilometers door de stad we op het punt arriveerden waar we onze zoektocht begonnen waren. We dachten eerst nog de laatste driepersoonskamer (voorheen te duur bevonden) in een hotel te bemachtigen, maar die bleek inmiddels ook te zijn vergeven.

Toen verscheen een beetje gluiperig aandoend mannetje ten tonele. ,,You are looking for a cheap room?”. Ja, dat waren we, maar dat mannetje zag er naar uit dat juist zijn cheap room wel eens duur zou kunnen uitpakken; zonder rugzak, portemonnee, paspoort etc. kortom we vertrouwden hem niet. Toch nog maar eerst weer een ander hotel geprobeerd. Helaas, ook hier was zojuist de laatste kamer vergeven, zodat we andermaal in de armen van het glimlachende mannetje liepen. We besloten toch met hem mee te gaan. Weliswaar ging het om “six dollars each”, niet echt heel goedkoop, zeker niet vergeleken met een camping, maar zijn huis lag tenminste in het centrum. Tenminste dat beweerde hij: “two stops (met de tram, hij betaalde zei hij, naar later bleek had hij al eerder gebruikte kaartjes te hebben gebruikt) or 12 minutes walking”. Na twee stops stapten we inderdaad uit, maar dit was niet ons eindstation. We moesten overstappen. De bus die we vervolgens namen voerde ons “langsam aber sicher” uit het centrum vandaan. Daar waren we niet blij mee.

Toen we in de bus nog een jongen aanspraken die onderweg was naar een camping, dacht met name Tom er over om ook maar naar die camping te gaan, maar ik vond dat we dat niet konden maken. En toen “onze vriend” even later zei dat we moesten uitstappen besloten we toch maar met hem mee te gaan, al was het centrum van Krakow al lang en breed aan de horizon verdwenen. We liepen langs een weg waarlangs mooie huizen stonden, maar waarvan er ook een aantal ooit mooi moesten zijn geweest, maar waarvoor er geen geld voor onderhoud beschikbaar was. In zo’n huis belanden wij dus. Het buitenaanzicht van het huis bleek nog niets vergeleken met de binnenkant. Ten eerste werden we vergast op een verschrikkelijk zure lucht, die ons deed wankelen. We zetten echter door en kwamen in wat onze “private room” moest zijn. Zo mogelijk was de lucht hier nog erger dan elders in het huis, en was de inrichting van de kamer op zijn zachtst gezegd sober.

Tom wilde onmiddellijk vertrekken, ik vond het allemaal wel best en Mark wilde eigenlijk ook wel weg, maar was vooral lui, moe of lusteloos. Hij had in ieder geval geen zin om nog drie kilometer door te reizen naar de verderop gelegen camping. Na veel heen en weer gepraat besloten we te blijven, vooral op mijn aandringen en voor “het verhaal later”. Tom was met die uitkomst niet blij, maar ging overstag. Enthousiast incasseerde onze dubieuze vriend zijn zwottels, al murmelde hij nog wel wat over te weinig zwottels in verband met bus- en tramkosten (die hij waarschijnlijk alleen voor zichzelf gemaakt had, omdat wij reisden op tweede-hands-kaartjes). Wij vonden de 500.000 zwottels sowieso al meer dan genoeg voor het gebodene.

Intussen voerde hij zijn andere gasten ten tonele. Een Argentijn en twee Engelsen, er waren dus nog meer toeristen in zijn wazige verhaal gestonken. Een schrale troost! We mochten gelukkig ook gebruik maken van de badkamer: met ligbad en douche. Een loszittende wc-bril, een onwaarschijnlijke hoeveelheid scheermesjes, dan wel apparaten, aanstekers en zeepjes. Leuk voor thuis! En overal die zure lucht! Nee, dan maar geen douche vanavond. Zelfs Tom weigerde te schrobben, en dat wil wat zeggen.

Ook de keuken stond tot onze beschikking, ook hier niet alleen zure lucht, maar ook nog andere voorwerpen die de staat der ontbinding nabij waren. Door de heer des huizes was ook de nodige aandacht besteed aan sfeervolle verlichting (mooie kale peertjes), al dat moois aanleiding voor de nodige kiekjes van mijn reisgenoten. Onze vriend was intussen naar de kamer gegaan, naar waar later bleek, zijn moeder huisde. Er was een woordenwisseling gaande, waarbij er maar weinig fantasie voor nodig was om te concluderen dat het over ons moest gaan.

We besloten de uitkomst van deze vete niet af te wachten en gingen naar restaurant Sarajewo om onze ergernis (met name die van Tom) te verdrinken. Een tip van onze vriend, en dit keer niet eens zo’n slechte. Want het eten was prima (niet alleen naar omstandigheden). ’s Avonds in Krakow (een half uur lopen naar het centrum, dat viel uiteindelijk nog mee) nog op zoek naar een paar mooie tijdsopnames, maar de restauratie van de binnenstad was nog niet zo vergevorderd dat alle gebouwen ook mooi verlicht waren. Geen foto’s derhalve. De dag erna des te meer. Na een nacht in de zure lucht werd Tom om vijf uur gewekt omdat moeder en zoon elkaar op luidruchtige wijze elkaar het een en ander trachten duidelijk te maken. Om zes uur lag hij nog wakker en besloot dan maar op te staan en naar het park te gaan om daar wat te gaan lezen en dutten. Het bezoek aan de badkamer deed vervolgens wonderen. Hij bedacht zich en koos zowaar toch maar de zure lucht boven de gezonde buitenlucht. Pas om 9.30 uur was de verdoving van de overheerlijke slaapkamerlucht uitgewerkt en stonden we op. Mister Wierdo was in geen velden of wegen meer te bekennen, zodat wij ons met het afscheid van moeder moesten behelpen. Het ontbijt besloten we maar niet in de keuken te nuttigen, gezien de deplorabele toestand daarvan. Maar wat hadden we gedaan als het ontbijt inbegrepen was geweest? In het park smaakte het ontbijt in ieder geval een stuk beter. Dat nadat moeder ons enthousiast uitgeleide had gedaan.
In Krakow ontdekten we dat Tom een merkwaardige voorliefde heeft voor Joodse begraafplaatsen en Italiaanse straatnaambordjes. Het kan verkeren. Krakow vas verder absoluut de moeite waard. Kaczimierz, Wawel en een beetje rondlopen. Erg mooi, maar het was vermoeiender dan om op één dag twee passen in de Tatra te bedwingen.

’s Avonds de nachttrein naar Berlijn, waar ik nog bijna ruzie kreeg met een Poolse vleesworst, toen ik mijn water over zijn beddengoed morste. Om vijf uur ’s nachts pascontrole, altijd leuk. En om 5.30 uur ticketcontrole, nog leuker. Toen ik het bundeltje tickets met een slaperig hoofd tevoorschijn haalde, kon ik het standaard “belachelijk” maar nauwelijks onderdrukken.

Vanmorgen in Berlijn beweerde Tom zijn Duits goed te beheersen. Zeker nadat hij met succes de weg had gevraagd naar de Brandenburger Tor. Maar wat zijn “Zeugteuer” ook al weer? Zou daar de gevlekte vunzige bunzing onder vallen? Gevlekt en vunzig zijn we intussen alle drie, de vellen hangen eraan en daarnaast wist alleen Tom vanochtend nog een schoon shirt te vinden. Maar hij heeft zich vanochtend niet geschrobd, dus vunzig is ook hij! Scheisse, wat een hitte in deze trein. Tom’s hazenslaapje vaart er wel bij………